Tips bij het trainen geven

Heel belangrijk (vooral bij de jeugd) is het bewustwordingsproces dat trainen en wedstrijden spelen een geheel vormt. Je kan het niet los van elkaar zien. Schenk daar vanaf het begin al aandacht aan. De training begint altijd met een evaluatie van de wedstrijd. Omgekeerd geldt: voor en tijdens de wedstrijd leg je de relatie met de oefeningen die ze op de training hebben gedaan.

Stappenplan

Stap 1- Waar moet ik beginnen; beginsituatie van de spelersgroep en van de individuele speler
Stap 2 – Wat is het doel van mijn training?
Stap 3 – Hoe kan ik deze training geven? (wat en hoe/middelen); veel spel- en wedstrijdvormen, vaste volgorde en methodiek, begeleiding en organisatie
Stap 4 – Wat is het resultaat van mijn training? (evaluatie); wat hebben ze geleerd en hoe is de training verlopen

Belangrijke principes

De volgende leerprincipes kunnen je helpen bij het opzetten en geven van een training:kinderen, sportteam

  1. Activiteit bevordert het leren (de techniek en de conditie).
  2. Plezier in leren (korfballen) is belangrijk. Plezier tijdens een training werkt motiverend en maakt spelers leergierig. Bouw leuke momenten in de training in.
  3. Oefening baart kunst; herhaal oefeningen regelmatig.
  4. Regelmatige terugkoppeling is nodig; leg uit welk doel een bepaalde oefening heeft en aarzel niet om de uitleg regelmatig te herhalen.
  5. Zorg ervoor dat je de theorie zodanig beheerst dat je gemaakte keuzes kunt uitleggen.
  6. Bouw voort op eerder geleerde vaardigheden of kennis
  7. En het allerbelangrijkste, wees positief en geef opbouwende feedback

Voor de training

  • Trainingsvoorbereiding; hierbij gaat het onder andere om het trainingsdoel, de trainingsgroep, oefenstof, warming-up, kern, je organisatie, aandachtspunten, et cetera.
  • Op tijd aanwezig (minimaal 10 minuten van te voren); kom zelf stipt je afspraken na, alleen dan kun je je spelers aan hun afspraken houden. Maak er vanaf het begin een gewoonte van mensen die zich niet aan de afspraken houden hierop aan te spreken.
  • Omgekleed op het veld/zaal.
  • Materiaal pakken en waar mogelijk organisatie klaar (laten) zetten.
  • Voorbespreking; je kunt de concentratie van de spelers en daarmee de effectiviteit van de training verbeteren door een korte voorbespreking. Hierin komt  aan de orde; waaraan je aandacht wilt besteden (individueel of als ploeg), hoe je dat wilt doen en wat de omvang van de training is. Een vast ritueel bij de voorbereiding op een training en op een wedstrijd is een goede manier om de juiste concentratie tot een automatisme te maken.

Tijdens de training

  • Houding; de informatie komt het best over bij de spelers als je een actieve houding hebt wanneer je leerpiramide kinderenaan het uitleggen bent. Ca. 90 % van communicatie is non-verbaal. Wanneer je met een open houding praat (geen armen over elkaar en rechtop), arm gebaren maakt en accent legt op de belangrijkste aanwijzingen, zal dit sneller overkomen op de spelers, dan wanneer je met een gesloten houding voor de groep staat.
  • Kleding en schoeisel; een trainer is altijd in trainingstenue op de trainingen.
  • Voor elke oefening geeft de trainer uitleg over de oefening. Als trainer kun je dit doen aan de hand van het Praatje – Plaatje – Daadje principe.

 

Na afloop van de training

  • Opruimen; je kunt dit aanpakken door de 6 w’s te gebruiken. De 6 w’s bestaan uit: wanneer, wie, wat, welke wijze, waar, wat erna?
    Een voorbeeld hiervan in de praktijk: Wanneer ik klaar ben met praten (wanneer) dan ruimen Jan en Piet (wie) de pilonnen op (wat). De pilonnen stapelen ze netjes op (welke wijze) en vervolgens brengen Jan en Piet de pilonnen terug naar mij (waar). Wanneer je dit gedaan hebt, ga je kijken of je nog andere spelers kunt helpen (wat erna).
  • Nabespreking; het kan gewenst zijn na de training nog wat puntjes op de ´i´ te zetten, iets nader uit te leggen of een positieve of negatieve waardering over de training uit te spreken. Doe dit zo snel mogelijk na de training en hou het kort.
  • Controle kleedruimte (voornamelijk bij lagere jeugdploegen)

Situatief coachen

Bij situatief coachen leg je tijdens een oefening het spel stil als je iets ziet wat goed is of wat niet goed is. Als trainer geef je niet de antwoorden, maar stel je vragen aan de spelers. Voordeel van situatief coachen is dat de spelers de situatie gaan herkennen. Het staat voor de spelers dan nog scherp in het geheugen. Nadeel van situatief coachen is dat je de training onderbreekt.

Geef de spelers de tijd om de spelbedoeling door te krijgen. Als het dan na een tijdje niet goed loopt, grijp dan in en probeer het probleem op te lossen. De oefening loopt niet wanneer er opstoppingen ontstaan, de spelers elkaar in de weg lopen of ze niet voldoende aan de beurt komen. Vervolgens is het belangrijk dat alle spelers de oefening snappen. Is er op meerdere niveaus te oefenen (differentiatie)? Is het te gemakkelijk of misschien te moeilijk? Hebben de spelers plezier in de activiteit? Hebben ze succeservaringen bij de activiteit?
In de partijvormen probeer je het geleerde in de praktijk toe te passen. Deze fase staat in het teken van het geven van aanwijzingen (situatief coachen). Ook hierbij stel je jezelf als trainer een aantal vragen: Heeft de speler een hoger niveau bereikt? Kan een speler in eigen tempo moeilijker opdrachten gaan doen? Kun je goede inhoudelijke aanwijzingen geven?

Print Friendly, PDF & Email