Techniek

Handelingen in de concrete sportspecifieke context van een wedstrijd zijn vrijwel altijd aanpassingen op de ‘perfecte techniek’. Dus waarom op de training altijd die focus op een technisch perfecte doorloopbal, het goed aanspelen van de bal bij een doorloopbal of lichaamshouding bij het schot op 1 been, terwijl die bewegingen in de wedstrijd feitelijk niet voorkomen!

Traditioneel leren

De perfecte herhaalbare techniek bestaat niet, geen enkele sporter is iedere training maar weer hetzelfde. Factoren als levenservaring, vaardigheidsniveau, leermethode, instructies en wijze van feedback spelen op het bewegen een cruciale rol. Door sporters en coaches wordt vaak aangenomen dat voor elke vaardigheid een optimale bewegingstechniek bestaat, die in principe geldt voor alle sporters. Trainers en coaches geven instructies en aanwijzingen om fouten te corrigeren en bewegingstechnieken eindeloos te herhalen en ‘in te slijpen’. Deze wijze van motorisch leren staat bekend als traditioneel leren, oftewel het stap voor stap aanleren van de ‘perfecte techniek’.

Differentieel leren

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt echter dat het beter is om trainingen zo in te richten dat er wedstrijd specifiek getraind wordt, maar met een ‘variability of practice’. Dit model gaat uit van de ‘constraints led constraints led approachapproach-theorie’. Een vorm van leren die hieraan voldoet is het ‘differentieel leren’. Deze wijze van leren gaat er van uit dat verschillen in bewegingstechniek tussen individuele sporters onvermijdelijk en wezenlijk zijn. De variaties in uitvoering door afzonderlijke sporters zijn geen fouten, maar verschillen (‘differences’) tussen opeenvolgende pogingen die het mogelijk maken om effectief te leren. Volgens differentieel leren is het aanleren van een nieuw bewegingspatroon of vaardigheid dus een proces dat sterk gebaat is bij variatie. Hoe groter de variatie, des te meer het brein wordt uitgedaagd tot het vinden van een optimale oplossing en hoe sterker het daardoor opgeroepen leerproces.

Drillen werkt niet, sporters leren meer van rare capriolen – Peter J. Beek

Externe focus

Aandacht voor de technische uitvoering van de doorloopbal, de strafworp, het schot uit stand en het schot uit beweging is vele jaren zeer belangrijk geweest. De laatste jaren is de focus verlegd naar andere leerstrategieën. Aanwijzingen als ellebogen bij elkaar, duimen achter de bal, voeten in lichte spreidstand en op heupbreedte zijn aanwijzingen met een interne focus van aandacht (op de speler zelf). Onderzoek wijst echter uit dat aanwijzingen met een externe focus van aandacht een beter effect opleveren. Bij een externe focus zal de vorm zich echter tijdens oefening aanpassen aan het doel van de handeling. Meer hierover in deel 2 van de artikelen over motorisch leren.
De rol van de trainer blijft wel het geven van aanwijzingen, maar altijd vragenderwijs en gericht vanuit het resultaat: Wat zou je kunnen veranderen om niet meer zo vlak te schieten?” Als je expliciet op techniek (de vorm) traint, kan het zijn dat je hier onder druk weer naar grijpt, en teveel gaat nadenken over je beweging, met alle negatieve gevolgen van dien (het zogeheten ‘choking under pressure door reinvestment’). Onder de druk van een wedstrijd vallen veel sporters echter terug in de bewuste bekwaamheid en durven ze niet te vertrouwen op hun automatische piloot. Zij stappen als het ware met hun trainingshoofd de wedstrijd in en willen hun techniek controleren, maar op die wijze stimuleren zij juist de linkerhersenhelft overmatig en zal het tegendeel het gevolg zijn; de bewegingen worden mechanisch en houterig. Het gaat erom dat een speler tijdens de wedstrijd in de waarneemstand staat en niet in de denkstand, dus “als je dit ziet, doe je dat”.

Leercurve

Het ontwikkelen van technische vaardigheden zoals het plaatsen, vangen en het schot op 1 been heeft net zoals het leren lopen en leren fietsen een bepaalde leercurve. Het heeft tijd nodig om jezelf hierin te bekwamen. De ontwikkeling van zo’n leerproces is met de volgende 4 begrippen te verduidelijken:

  • Onbewust onbekwaam; een sporter is zich nog niet bewust dat hij vaardigheden mist die onmisbaar zijn op een hoger niveau.
  • Bewust onbekwaam; de sporter ziet in dat hij bepaalde vaardigheden zal moeten ontwikkelen. Door dit inzicht wordt het zelfvertrouwen vaak tijdelijk een stuk minder. Een sporter zal in deze fase experimenteren en oefenen en om veel feedback vragen.
  • Bewust bekwaam; de sporter wordt steeds competenter door het verzamelen van informatie en het vele oefenen. Het zelfvertrouwen neemt weer toe. Er is sprake van een geleidelijk automatisering van de bekwaamheden.
  • Onbewust bekwaam; de verworven bekwaamheden worden deel van de sporter en de uitvoering vindt plaats zonder nadenken. Hij zal de oorspronkelijke onbekwaamheid niet meer als een probleem ervaren dat opgelost moet worden, maar als een probleem dat al opgelost is. Wat ooit moeilijk leek is makkelijk geworden!

 

Print Friendly, PDF & Email