Impliciet vs. expliciet leren

Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de kans op falen onder druk een stuk minder is wanneer je iets op een impliciete manier hebt geleerd; je kunt iets, maar hoe je dat doet, kun je eigenlijk zelf niet benoemen. Het idee hierachter is doordat je geen of nauwelijks regels over het bewegingsgedrag tot je beschikking hebt, je ook geen aanleiding hebt om na te gaan wat je fout doet. Alleen de uitkomst is belangrijk, de bal door de kunststof korf! Een tweede voordeel is dat je minder hoeft na te denken doordat er geen of heel weinig regels zijn en je daardoor makkelijker kunt focussen op de taak en het doel.

Expliciete kennis heeft betrekking op feiten en regels waar we ons bewust van zijn en die we desgevraagd kunnen benoemen (verbaliseren), terwijl impliciete kennis zaken betreft die we kennen zonder het te beseffen en daardoor ook niet kunnen verwoorden. Ook wel ‘tacit knowledge’, oftewel ‘stille kennis’ (P.J. Beek).
Voorbeelden zijn foutloos leren, analogie-leren, leren met externe focus van aandacht en differentieel leren. Deze worden hieronder in het kort beschreven. Meer informatie hierover vind je in het boek Athletic Skills Model of onder motorisch leren.

 

Foutloos leren

Leren door zo min mogelijk fouten te maken. Het vereiste prestatieniveau wordt in toenemende mate opgevoerd met dezelfde foutenlast. Fouten mogen dus wel gemaakt worden, maar de kans op fouten wordt systematisch klein gehouden. Fouten beperken gebeurt door op te bouwen van makkelijk naar moeilijk. Succes en succesbeleving zijn daarbij dus erg belangrijk.

Bijvoorbeeld: het scoren middels een afstandsschot op 2 benen. Je begint met schieten op een afstand van 1 meter. Nadat je 6 van de 10 ballen raak schiet vergroot je de afstand naar 2 meter. Opnieuw 6 of 8 van de 10 kansen raak betekent de afstand weer verder vergroten. De afstand en dus de moeilijkheidsgraad wordt vergroot naar gelang je prestatie.

 

Analogie-leren

Ook wel leren aan de hand van beeldspraak. Je benoemt hoe een beweging of essentieel deel van de beweging uitgevoerd wordt zonder daarbij allerlei expliciete regels te benoemen. Vele onderzoekers hebben aangetoond dat analogie-leren effectief is. Het leidt tot leerresultaten die beter bestand zijn tegen de negatieve effecten van (mentale) druk dan de met expliciet leren behaalde leerresultaten.

In het korfbal kun je bijvoorbeeld denken aan juichen bij een doorloopbal, net voor het moment van loslaten. Dat impliceert iets over de positie en lengte van de armen, maar ook over de houding van de rest van het lichaam. Veel expliciete uitleg is overbodig, de analogie geeft voldoende informatie. Het is wel zaak om meer geschikte metaforen te vinden voor de korfbalspecifieke vaardigheden die we willen aanleren of verbeteren!

 

Leren met een externe focus van aandacht

Meer achtergrondinformatie hierover op de aparte pagina externe vs. interne focus.

 

Differentieel leren

De laatste jaren sterk in opkomst en ontwikkelt door ex-topsporter en hoogleraar Wolfgang Schollhorn in 2005. De basisgedachte is dat er niet zoiets als de meest ‘ ideale beweging’ bestaat die een sporter moet nastreven. Iedereen moet zelf tot een voor hem zo efficiënt en effectief mogelijke techniek komen. Elk lichaam is anders en ook elke situatie vraagt iets anders. Deze leervorm maakt gebruik van de variatie en fluctuaties die optreden in onze bewegingsuitvoering (aanpassingsvermogen). Het leerproces wordt doorlopen met veel variatie waarna het lichaam zelf één of meerdere optimale oplossingen vindt. Door te oefenen met oneindig veel variatie komt het lichaam zelf tot de juiste, meest efficiënte, oplossingen (contextuele interferentie).

Je kunt hierin variëren op drie niveaus, namelijk op de taak/opdracht, de omgeving of de sporter zelf. Bijvoorbeeld: schieten door eerst de bal op je hoofd te stuiten, schieten met veel/weinig effect, schieten met grote boog of juist heel vlak. Je zou spelers met handschoenen aan kunnen laten schieten, op andere ondergronden spelen zoals gras of zand, verschillende soorten ballen gebruiken (in vorm, grootte en gewicht) bij het schieten of de korven juist hoger of lager zetten. Je doet hiermee een beroep op het aanpassingsvermogen doordat ze steeds weer adequaat moeten handelen en dus moeten aanpassen.

Enkele tips hiervoor:

  1. varieer vaak en veel in de uitvoering van dezelfde taak;
  2. kies ook/juist variaties die in de traditionele opvatting fout zijn;
  3. durf gek te doen (en voor gek verklaard te worden);
  4. neem spelers mee in het waarom van deze manier van trainen;
  5. corrigeer niet.

Een mooi voorbeeld hoe differentieel leren eruit kan zien vind je op YouTube. Het begint met traditionele oefenvormen en daarna differentiële oefenvormen.

Print Friendly, PDF & Email