Bewegings- en belastingsanalyse korfbal

Algemene sportanalyse

Het korfbalseizoen loopt van augustus tot juni van het volgende jaar. De zaalcompetitie verdeelt de veldcompetitie in twee helften. Een korfbalwedstrijd duurt 2×25 minuten zuivere speeltijd (zaal) en 2×30 minuten op het veld. Door de indeling in vakken is er nooit sprake van een gelijkmatige continue belasting. Een team bestaat uit 8 spelers waarvan de helft zich in het aanvalsvak bevindt, de andere helft in het verdedigingsvak. In beide vakken staan per team 2 dames en 2 heren. Als de bal zich in het aanvalsvak bevindt, heeft het verdedigende vak van hetzelfde team rust. Na twee doelpunten wordt er gewisseld van vak, aanval gaat naar verdediging en omgekeerd. Alle spelers moeten dus zowel kunnen aanvallen als verdedigen.

Uit metingen is gebleken dat er in een wedstrijd gemiddeld 65-70 aanvallen per team plaatsvinden en daarmee ongeveer 110 doelpogingen. Bij wedstrijden met de schotklok ligt dit aantal hoger. Een bal is bij het zaalkorfbal gemiddeld 20-25 seconden in een vak (bij het veldkorfbal vaak wat langer). Per aanval worden er gemiddeld 1,4 schoten genomen. Korfbalspecifiek zijn de vele kortdurende explosieve acties (springen en sprinten in voor-, achter- en zijwaartse richting), waarbij relatief veel anaerobe arbeid verricht wordt. In de herstelfase (wanneer de bal in het andere vak is) is vooral het aerobe systeem actief.
Iedere korfballer heeft een persoonlijke tegenstander. Door de wisselende vakopstelling verschilt de functie van een speler geregeld. De ene periode is hij of zij aanvaller, de volgende periode verdediger. De mate van de inspanning is wel afhankelijk van de functie, die vervuld wordt in een vaksamenstelling. Zo zal de hoofdaanvaller zich bij een aanvalsactie meer moeten inspannen dan de medespeler, die op dat moment een steunende taak heeft of een reboundfunctie.

Energiesystemen

Een korfballer zal tijdens wedstrijden een beroep doen op alle 3 de energiesystemen. Voor de korte sprints en sprongen wordt er een beroep gedaan op het fosfaatsysteem (ATP/CrP). Het aërobe systeem zorgt voor het herstel van de fosfaatvoorraden tijdens de rustfase. Er is sprake van een rustfase als de bal in het andere vak is. Tijdens langere spelsituaties waarbij er veel en intensief gelopen moet worden, kan het anaërobe lactische systeem eveneens worden aangesproken.

Specifieke analyse per spelerspositie

Door korfbalgoeroe Ben Crum zijn in de jaren ’90 enkele typen geïntroduceerd welke de verschillende rollen/taken in een vak weergeven. Zo onderscheiden we de Tijger, Panter, Beer en de Wolf. Binnen het korfbal worden de volgende spelerstypes gedefinieerd:

Tijger, korfbal1e en 2e Spits (‘Tijger en Panter’): de spits moet zeer reactief zijn en beschikken over een explosieve sprint in 
alle richtingen. De eerste spits is veelal een man, de tweede spits is veelal een dame.
Rebounder (‘Beer’): de rebounder is vrijwel altijd een man en moet een stevig lichaam hebben om 
fysiek aanwezig te zijn onder de korf. De rebounder moet beschikken over een goede 
sprongkracht.
Aangever (‘Wolf’): de aangever is veelal een dame. De aangever moet onder andere zeer snel zijwaarts en achterwaarts 
kunnen lopen, zodat het gezicht op de korf gericht kan blijven.

Panter, korfbalDe ‘Panter’ is een killer, een schaduwspits. Neemt per wedstrijd ca. 10-18 doelpogingen met een rendement van zo’n 20-30%. Dit type speler kan zowel een man (lengte 1.80-2.00 meter, vetpercentage ca. 9%) als een vrouw zijn (lengte 1,72-1.80 meter, vetpercentage ca. 18%). De reikhoogte bij een sprong uit stand is bij mannen 3.00-3.30 meter en bij vrouwen 2.70-2.85 meter. De ‘tijger’  heeft een uitstekende oog-hand coördinatie en ze zijn snel en wendbaar. Is explosief in korte bewegingen met richtingsveranderingen.

 

Beer, korfbalDe ‘Beer’ is meestal een mannelijke speler met een lengte van ca. 1.88-2.00 meter. Hij is fysiek sterk en heeft een reikhoogte bij de sprong uit stand van 3.10-3.20 meter. Zijn vetpercentage ligt rond de 15-18%. Hij neemt gemiddeld 4-12 doelpogingen per wedstrijd met een scoringspercentage van 30-50%. Een hoog rendement wat hij voornamelijk haalt uit kansen in de korfzone, daar waar hij zich het meeste bevindt. Hij wint ca. 70-80% van zijn aanvallende rebounds.

 

Wolf, korfbalDe belangrijkste rol van de ‘Wolf’ is die van transporteur, ondersteuner. Bijna altijd is dit een vrouw. Na ongeveer 16”  komt zij in de aansteun. Zij heeft het meeste oog voor de ‘Tijger’ en daarna de ‘Panter’ (split vision). Ze is een goede loper met een grote actieradius en kan snel van richting veranderen. Ze komt in een wedstrijd tot 5-10 schotpogingen en een scoringspercentage van 15-30%. Haar lengte is 1.72-1.80 meter en ze heeft een reikhoogte bij een sprong uit stand van 2.66-2.80 meter. Haar vetpercentage ligt rond de 16-20%. Ze beschikt daarnaast over een goede oog-hand coördinatie en is handig bij kansen rondom de korf.
(bovenstaande gegevens zijn gebaseerd op het Nederlands Team en afkomstig van het korfbalblog van Ben Crum).

 

Conditions Of Movement

Bij het maken van een sportanalyse bekijken we ook de verschillende motorische eigenschappen. Er wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de korfbalprestatie verband houdt met uithoudingsvermogen, kracht, snelheid, coördinatie en lenigheid. Een korfballer of korfbalster onderscheidt zich door een goede coördinatie, een grote flexibiliteit, een snel reactievermogen, een hoge startsnelheid met daarbij een adequaat aeroob en anaeroob uithoudingsvermogen. In navolging van het Athletic Skills Model kies ik voor een andere indeling, de zogenaamde Conditions Of Movement (COM). Elke condition bevat meerdere elementen van de grondmotorische eigenschappen.

De vijf Conditions Of Movement zijn:

  1. Agility (o.a. behendigheid/wendbaarheid)
  2. Flexibility (o.a. lenigheid)
  3. Stability (o.a. houding/balans)
  4. Power (o.a. kracht/snelheid)
  5. Endurance(o.a. uithoudingsvermogen lokaal en algeheel)

COM, ASM, grofmotorische eigenschappen

 

Print Friendly, PDF & Email