Klinimetrische eigenschappen

Bij het testen spelen een aantal zaken een rol: standaardisatie, validiteit, betrouwbaarheid, normering en praktische hanteerbaarheid.

Standaardisatie

Iedere meting moet bij iedere sporter op precies dezelfde manier, in dezelfde volgorde en hetzelfde tijdsbestek uitgevoerd worden. Ook bij het hertesten zullen de condities zoveel mogelijk overeen moeten komen. 

Validiteit

Meet de test daadwerkelijk wat men wil meten, beantwoordt de test aan het gestelde doel. . Het is daarom belangrijk dat je als trainer een test kiest die past bij de fysiologische parameter die je wilt meten. De explosieve kracht van een korfballer meten door hem een Coopertest te laten lopen is weinig zinvol.

Betrouwbaarheid

Is de test reproduceerbaar, levert een test onder dezelfde omstandigheden bij meerdere uitvoeringen dezelfde resultaten op? Hoe betrouwbaar is het meetapparaat?
Je kunt een aantal maatregelen nemen om de betrouwbaarheid van de test te vergroten:

  • Het testprotocol voor je zelf uit schrijven en toe spitsen op je eigen accommodatie. Neem in het testprotocol ook een vast omschreven warming-up op.
  • De tijd tussen het einde van de warming-up en het begin van de test moet altijd gelijk zijn.
  • Test altijd aan het begin van de training.
  • Als je meerdere testen wilt uitvoeren, houd dan altijd dezelfde volgorde aan.
  • Neem bij de interpretatie van de resultaten de weersomstandigheden mee, zoals regen of extreme warmte.

Normering

Testen leveren uitslagen op. Om te kunnen interpreteren of een uitslag goed of slecht is of daar ergens tussenin ligt, dienen er normwaarden beschikbaar te zijn. De geldigheid van die normwaarden is groter, wanneer die norm bepaald is bij grote groepen sporters van dezelfde categorie, wat betreft leeftijd, geslacht en getraindheid.
Normwaardes zijn sportspecifiek. Ze geven een indicatie van verhoogd risico voor het oplopen van blessures , maar ze geven ook een indicatie van het sportniveau. Trainen op ‘zwakkere punten’ kan risico verkleinen en prestaties verbeteren.

Er zijn algemene normwaarden bekend voor onder andere de 5×10 meter sprint test, Agility T-test, Illinois Agility Test, coördinatie test (muurgooien), Side Planking Test en de Sit en Reach Test. Maar geen van deze testen, behalve de Agility T-test op zeer kleine schaal, is specifiek gebruikt binnen een groep korfballers.

In 2014 is er op kleine schaal onderzoek gedaan naar de correlatie in de uitkomst van de Interval Shuttle Run Test in vergelijking met de uitkomst van de Agility T-test van korfballers met de leeftijd van 15 tot en met 18 jaar. In totaal werden 17 spelers uit de juniorenhoofdklasse getest, waarvan 10 jongens en 7 meisjes. Eerst werden enkele standaard testen afgenomen waaronder lengte, gewicht en BMI. Daarna werd de Agility T-test afgenomen (3 keer), waarna men 20 minuten rust had om daarna de Interval Shuttle Run Test (ISRT) te volbrengen. Beide testen bleken een goede correlatie te vertonen en kunnen dus beiden ingezet worden bij korfballers om de conditie te meten.

Praktische hanteerbaarheid

Kosten kunnen te hoog zijn of de belasting voor de patiënt niet acceptabel om een meetinstrument praktisch niet hanteerbaar te laten zijn. Of een meting kan teveel tijd in beslag nemen. Een test moet af te nemen zijn in een beperkte tijd met weinig apparatuur en/of materiaal. Bovendien moet het tamelijk snel te evalueren zijn. Hierdoor zal het trainingsproces het minst gestoord worden waardoor de sporter zo min mogelijk belast wordt.

Print Friendly, PDF & Email