Kenmerken trainingsperioden

Voorbereidingsperiode

Deze periode begint in augustus. Geprobeerd wordt in deze periode het algemeen prestatievermogen te verhogen. Afhankelijk van de trainingsfase, basistraining, voortgezette training of (top)prestatietraining, wordt invulling gegeven aan conditionele, technische, tactische en mentale aspecten. De omvang van de belasting neemt toe.
De grote vakantie valt nog in deze periode. Daarom is het voor de prestatietraining noodzakelijk, dat de spelers van hun trainer trainingsadviezen of een onderhoudsprogramma (zie downloads onderhoudsprogramma conditie) meekrijgen om hun techniek en conditie zoveel mogelijk te onderhouden. De voorbereiding op de competitie begint dus eigenlijk al in juni/juli (algemene voorbereidingsperiode) en dus niet nà de grote vakantie in augustus!
Een maand vóór het begin van de competitie start de specifieke voorbereiding op het wedstrijdseizoen.

De eerste trainingen (4 à 5) gelden als inwerkperiode om te wennen aan elkaar (groep-trainer), niveau testen, trainingsdiscipline en- mentaliteit testen, sfeer opbouwen, et cetera. Aan de hand van de ervaringen van deze inwerkperiode wordt een definitief werkplan opgesteld. Het is aan te bevelen om een aantal trainingsactiviteiten per jaar buiten de programmering te houden, omdat trainingsuren soms onverwachts kunnen uitvallen, sommige trainingen na evaluatie herhaald moeten worden en daarnaast moet de trainer altijd kunnen inspelen op actuele zaken.
Binnen de club zijn er personen die korfbal meer recreatief dan prestatief benaderen. Voor de breedtekorfballers gelden weliswaar dezelfde regels van wel en niet spelen als voor de prestatiekorfballers. Maar zij die korfbal duidelijk als recreatiesport benaderen, zullen met de training minder professioneel te maken (willen) hebben dan de meer prestatiegerichte spelers.

AVP:

  • Fundament leggen voor intensieve belasting in een later stadium.
  • Accent op de algemene conditie, minder specifiek (65% om 35%).
  • Weinig techniektraining.
  • Veel omvangtraining.
  • Beginfase voor alle aanpassingsprocessen.
  • Duur van de periode: maanden juni en juli.

SVP:

  • Algemene conditie wordt minder belangrijk; accent op specifieke arbeid (35% om 65%).
  • Trainingen met hoge intensiteit wordt vaker toegepast.
  • Techniek en tactiektraining komen regelmatig terug.
  • Wedstrijdspecifieke aanpassingsprocessen staan centraal.
  • Duur van de periode: maand augustus, eerste 2 weken van november en laatste 2 weken van maart.

Wedstrijdperiode

De intensiteit van de belasting moet op wedstrijdniveau blijven. De basiselementen van een goede conditie moeten omgezet worden in wedstrijdresultaten. De belangrijkste trainingsmethode in deze periode is de wedstrijd zelf. De training dient zoveel als mogelijk wedstrijdspecifiek te zijn, met een intensieve belasting maar tevens een volledig herstel.

WP:

  • Hoeveelheid algemene conditie daalt sterk/wordt geheel gestopt.
  • De trainingsomvang vermindert met de helft of meer in vergelijking met de SVP.
  • Wedstrijdspecifieke belasting staat centraal, vooral door trainingswedstrijden.
  • Volledige aanpassing aan de wedstrijdsituatie.
  • Deze periode van “vorm” kan 3-8 weken duren.
  • Duur van de periode: 6 weken in september/oktober, 5 weken in november/december, 8 á 9 weken in januari/februari/maart en nog 8 weken in april/mei/juni.

Overgangsperiode (veld-zaal / zaal-veld)

Deze periode volgt direct na een wedstrijdperiode. De overgangsperiode dient ervoor om overtraining te voorkomen. Men kan nu eenmaal niet continu maximaal presteren. Even gas terug nemen is daarom noodzakelijk. In de tussentijdse overgangsperiodes bij het korfbal (veld–zaal en zaal–veld) zal er een geleidelijke overgang moeten plaatsvinden naar de voorbereidingsperiode van de volgende competitie. Hierbij dient op een relatief laag niveau getraind te worden.

OP:

  • In en na de wedstrijdperiode zal een terugval plaatsvinden in specifieke conditie en ook van de specifieke aanpassing.
  • Actief herstel (dus rustige hersteltrainingen).
  • Aanpassing van algemene functies niet te ver laten dalen; wel blijven trainen met grote veelzijdigheid (dus veel variatie in oefenstof).

 

 

Print Friendly, PDF & Email